Op zoek naar God
Zoals aangekondigd: hieronder de integrale tekst waarvan ik enkele delen hier had geplaatst. Veel leesplezier!
(Sommige delen zijn nog niet volledig uitgewerkt waardoor er nog wat onduidelijkheid kan bestaan)
Kleine verduidelijking: natuurlijke orde mag eigenlijk gelezen worden als ‘wereldse’ orde.
“Zie, Uw vijanden maken gedruis, en die U haten steken het hoofd omhoog. Tegen Uw volk smeden zij een boos plan, en zij beraadslagen tegen Uw heiligen. Zij zeggen: komt laten wij hen verdelgen, dat zij geen volk meer zijn.” (Ps. 82, 2-4)
West-Europa had tot voor enkele decennia geleden een katholieke traditie. Toch is het zo dat een veralgemening niet op zijn plaats is. Niet iedereen heeft immers een christelijke traditie gehad. Zo is er enerzijds een verwaarloosbaar aantal met een (neo-)heidense achtergrond en anderzijds de vrijzinnige en protestantse Europeanen die hetzij als resultaat van historische processen, hetzij door de liberalisering van de maatschappij de hoofdtoon zetten. De invloed van het katholicisme op alle Europese volkeren is echter nagenoeg verdwenen. Het lijkt wel of elke natiestaat uit Europa deelneemt aan de opgedrongen seculiere mentaliteit van staten, verenigd in het seculiere monster dat de Europese Unie heet. Wat we nu meemaken – en dit gedurende de laatste eeuwen- is de godsdienstige versplintering en ontkerkelijking van Europa. De realiteit is echter dat die versplintering in woelige crisistijden waar mensen juist naar eenheid en autoriteit snakken, ons verdeelt en dus verzwakt. En dat terwijl het katholicisme ooit de basis geweest was voor een weerbaar Europees Rijk en een nooit gekende Europese cultuur.
Gelegitimeerd?
Hoe het zover is gekomen, daar gaat het hier in de eerste plaats om. Maar laat ik gemakshalve beginnen met een legitimatie te geven voor een katholiek geïnspireerd Europa, hetwelk als basis dient voor een Europese Rijksgedachte, een Imperium Christianorum, onder het leiderschap van een politiek leider en onder het goedkeurend oog van onze Moeder de Heilige Kerk.
Waarom zouden we de pretentie hebben te pleiten voor een katholiek geïnspireerd Europa en niet voor een protestantse of heidense invulling? Kortom: wat legitimeert de katholieke Waarheid? Het antwoord is te vinden in de absoluutheid van de Waarheid die door de Kerkelijke doctrine tot uitdrukking komt. Dat straalt natuurlijk een autoriteit uit, een goddelijk gezag. De vraag is dus waarom juist de Kerk de pretentie mag hebben om op Gods gezag te verklaren wat conform de goddelijke Waarheid is. Het gezag put de Kerk echter uit een bevoegdheid die God zelf aan de Kerk van Rome, ongeacht politiek, heeft toegekend. De Kerk heeft van Hem de taak gekregen Zijn Waarheid ondanks alle ketterijen te vrijwaren van elke leugen. De sleutel tot het succes van deze opdracht is de eenheid bewaren in de Rooms-Katholieke Kerk. Het katholicisme is daarom ook de enige georganiseerde godsdienst die de verschillende Europese volkeren tot een solide christelijke eenheid kan vormen. Eenzelfde Waarheid leidt namelijk tot een vereniging der krachten ter verdediging van die Waarheid. In dit opzicht zijn wij dan ‘Milites Christi’, soldaten van Christus. Mooi dus, maar laat ik even verduidelijken waarom alleen de Rooms-Katholieke Kerk het recht op het afkondigen van de Waarheid heeft en waarom ze dat van God heeft ontvangen.
Wie Rooms-katholiek is, gelooft in de eerste plaats in de universele orde die door God geschapen is. Het is de universele orde, die er dus is als een conditio-sine-qua-non voor het bestaan van de natuurlijke orde, namelijk de realiteit zoals wij die als mensen direct kunnen waarnemen. De universele orde is meteen ook de basis voor zowel ‘het’ als ‘ons’ bestaan. Van daaruit vertrekt de autoriteit van de waarheid, die is wat het is en onveranderlijk is. Die waarheid openbaart zich op velerlei wijze omdat God het wil. God is hier zelf de initiatiefnemer opdat de nieuwsgierige zichzelf van het paradijs verbannen mens zich bewust zou worden van zijn lot en heel zijn bestaan dat gekaderd is in de zin van het bestaan van de natuurlijke en bovenal de universele orde.
Het komt tot uitdrukking in het Woord van God zoals door God de Vader geopenbaard in enerzijds het Oude Verbond en anderzijds door God de Zoon in het Nieuwe Testament. Het is daarnaast ook de goddelijke inspiratie in de vorm van Gods Heilige Geest die net zoals bij de apostelen het geval was, een vuur in ons doet ontstaan en onze geest verlicht. Door middel van de ons door God geschonken talenten zet de Heilige Geest, de bron van Gods creatieve inspiratie in de mens, ons aan ‘ons’ (de zin van ons leven, namelijk ons ‘bestaan’) en ‘het’ (de zin van de universele en daaruit voortvloeiend de natuurlijke orde, namelijk het ‘zijn’) bestaan te leren begrijpen. Neem nu de heiligen, die door hun heilige status en geestelijke erfenis de Rooms-katholieke leer alle autoriteit geven. Hier kunnen we verwijzen naar de kerkvaders St. Augustinus, St. Thomas Van Aquino, St. Franciscus Van Sales, St. Franciscus van Assisi, … Ook dat vormt binnen het katholicisme een belangrijke bron van geopenbaarde waarheid en profetie[1]. Een belangrijke opmerking hierbij is dat het gaat om documenten die door goddelijk geopenbaard gezag zijn ingegeven. Dat verklaart ook meteen de autoriteit en het universele karakter ervan. God maakt zich namelijk ook middels zijn heiligen en kerkelijke vertegenwoordigers bekend.
Maar dit is niet alles. God, de Schepper van de universele en de daaraan ondergeschikte natuurlijke orde, handelt ook in die natuurlijke orde middels de Voorzienigheid. De schepping is dus die natuurlijke orde, voortvloeiend uit de hiërarchisch hogere universele, die volmaakt en goed is. Toch is zij niet voltooid uit handen van de Schepper gekomen[2]. Het werk dat op aarde wordt geleverd om Gods plan met de schepping te voltooien, dat is het werk van de Voorzienigheid. Het is de handelende God die middels de Voorzienigheid elke gebeurtenis, ook al richt ze zich tegen de door God erkende orde (zoals de Franse Revolutie), toestaat in de natuurlijke orde. Want God laat niets gebeuren zonder Zijn toestemming. Alles moet namelijk kaderen in de voltooiing van Zijn Schepping die Zijn Glorie is. Ook die Voorzienigheid is een zekere vorm van Gods openbaring (namelijk Zijn optreden) die we door middel van een juiste historische benadering kunnen achterhalen (zoals ook de Franse politiek theoloog Joseph-Marie de Maistre zeer verdienstelijk heeft gedaan).
Zo hebben wij dus vier concrete en bewijsbare bronnen waarin Gods Waarheid tot de mensheid komt. Zij gaat altijd uit van God, doch tot driemaal toe op een directe manier en driemaal telkens in een andere goddelijke hoedanigheid (de Vader, de Zoon en de Heilige Geest). Daarnaast laat God de Waarheid ook op een indirecte manier tot uitdrukking komen middels de Voorzienigheid. Vanuit deze gedachte kunnen we dan ook in de realiteit Gods geopenbaarde Waarheid van de duivelse leugen onderscheiden. Maar het is niet mijn bedoeling hier dieper op in te gaan.
We kunnen hierdoor wel begrijpen waarom de Rooms-Katholieke Kerk als hoogste gezag geldt. In haar schuilen namelijk alle bronnen van Waarheid. De Voorzienigheid wilde namelijk dat haar gezag door alle andere bisdommen en vroegere patriarchaten werd erkend als het hoogste. Want het was de Voorzienigheid die wilde dat uitgerekend Sint-Petrus, de rots waarop Christus zijn Kerk zou bouwen, in Rome aan de Vaticanus-heuvel (ondersteboven) gekruisigd en daar begraven werd.
De fundamenten van de Kerk baseren zich echter op de Heilige Schrift, maar dan vooral op de juiste verklaring ervan, op basis van de originele tekst. Hier fundeert de Kerk zich dus op de Waarheid van God de Vader en God de Zoon. Tot slot gaat ook de Heilige Geest te werk in de Kerk. De dogma’s, afgeroepen in de concilies, vinden namelijk hun basis in de geschriften van de door God uitverkoren Heiligen en Kerkvaders.
Tot zover de legitimatie van de Rooms-katholieke Kerk. De vraag is nu hoe zij zich met die legitimatie indachtig in de 21ste eeuw verhoudt of moet verhouden tot haar meest bedreigende tegenstanders. In principe moet ze die doen gelden, maar dat is minder evident dan gedacht. De kerkelijke autoriteit is verzwakt, en daarmee ook de principes die voortkomen uit de natuurlijke orde. Dat straalt natuurlijk af op Europa en de katholieke Kerk, die fel verzwakt zijn en zo ten prooi gevallen zijn aan al haar natuurlijke vijanden. Die vijanden zijn voor beiden naar chronologie het protestantisme, de rationalisten en de heidenen en tot slot de relativisten. Laat ik hier dieper op ingaan en naar chronologie beginnen met de eerstgenoemde[3].
Succesvolle dissidenten
Als we het hebben over dissidenten in het christendom, het schisma van 1054 en de talrijke doch voor deze tijd weinig relevante ketterijen en scheurbewegingen uit de vroegchristelijke periode buiten beschouwing gelaten, dan hebben we het voornamelijk over het protestantisme. Het protestantisme pretendeert de waarheid in pacht te hebben, alhoewel dit nogal contradictoir is uitgedrukt. Het protestantisme is immers een verzamelnaam voor een amalgaam van christelijke opvattingen die alles behalve de universele waarheid van de Katholieke Kerk volgen. Het heeft uiteindelijk met de christelijke traditie en gehoorzaamheid gebroken. Haar legitimiteit van haar handelen baseert zij bovendien op rebellie en het individuele verstand. De dogma’s moesten namelijk plaatsmaken voor de discussie en het dogma van het eigen-ik. Dat laatste ontaardde nogal eens in de tirannie van het eigen-ik boven al de andere meningen, zoals dat in het Genève van despoot Calvijn het geval was. Op dat vlak mogen we wel zeggen dat het protestantisme, zoals verder zal blijken, de voorvader betekende van de Verlichting.
De beweging is ontstaan gedurende de 16de eeuw toen ene Maarten Luther de bedoeling had de katholieke Kerk te hervormen. Nooit was het evenwel zijn bedoeling zich af te scheuren van Rome. Later zijn de calvinisten, laat ons zeggen de geestelijke erfgenamen van een sektarische christelijke onderstroming[4], op de kar van deze door Luther ontketende beweging gesprongen en de hoofdstroming gaan uitmaken van de protesterende (lees: afvallige) christenen.
Wat protestanten vooral met grote radicaliteit verwerpen is de Rooms-katholieke Kerk zelf. In haar zien zij het gezag dat zij tegengaan, tevens de verdediger van vaste geloofsdogma’s die het hoofd moeten bieden tegen (onder meer christelijke) sektes en tenslotte de verdediger van noodzakelijke formele aspecten van het geloof, die in het katholicisme erg belangrijk zijn. Dat alles willen de protestanten echter veranderen, zo niet vernietigen. Zo is zowat elke protestantse groepering – en de calvinisten in het bijzonder- van mening dat de Bijbel en de liturgie enkel in de volkstaal mocht bestaan, dat iemand die in Christus gelooft zich onvoorwaardelijk kan openstellen voor het ontvangen van de Heilige Geest, welke door strikte individuele beleving kan bekomen worden, dat de materie en de Heilige Geest naast mekaar bestaan en niets met mekaar te maken hebben. Als laatste, maar niet het minste, beweren zij dat de Kerk geen grond heeft op autoriteit. Deze vier formele aspecten van het geloof hebben echter hun noodzaak, en die zal ik hieronder verder bespreken.
De Lutherse beweging, en later ook de calvinisten, wilde de liturgie en kerkelijke hiërarchie fundamenteel wijzigen en zelfs relativeren. Het was de bedoeling de liturgie in de eigen taal in plaats van het Latijn te laten gebeuren en hetzelfde wilde men van de Bijbel. Terecht zouden veel mensen denken. Maar niets is minder waar. Het Latijn is de taal van de Rooms-Katholieke Kerk, de universele taal tussen de verscheidene katholieke volkeren. Het is met andere woorden een eenheidstaal. De Latijnse Bijbels en de Latijnse liturgie bestaan dan ook om die eenheid in de Kerk te bewaren. Vooral wat de leer betreft. Vertaalfouten zijn immers snel gemaakt, en bovendien zou een legitimatie van de eigen volkstaal in de Kerk leiden tot een toename van gevulgariseerde vertalingen. Hierdoor zou de authenticiteit en de autoriteit van de leer en de geloofsdogma’s van het katholicisme aanzienlijk aangetast worden. Want al wat ons verdeelt verzwakt ons. Daarom heeft de Kerk ook nooit willen dulden dat elke zelfverklaarde en onafhankelijke Latinist door zijn eigen interpretatie in zijn vertaling invloed zou kunnen uitoefenen en de gevestigde dogma’s aan het wankelen zou kunnen brengen. Een terechte actie van de Roomse Kerk, die voor haar autoriteit en erkenning hard heeft moeten knokken in tijden van dissident christendom (de monofysitische groep, de Arianen, de donatisten, …) dat Europa verdeelde. Zo was er namelijk enerzijds pas in 335 n.C. wat eenheid in de dogmatiek gekomen dankzij Keizer Constantijn de Grote die zijn buik vol had van al die christelijke verdeeldheid en het eerste Concilie van Nicea bijeenriep[3]. Anderzijds duurde het vijfhonderd jaar eer de Kerk door andere patriarchaten (o.a. ook Constantinopel) de erkenning van hoogste autoriteit kreeg en aldus zo het pausdom zoals we het vandaag min of meer kennen ontstond. Daarom heeft de Kerk trouwens altijd gestreefd naar één enkele officiële vertaling naast de liturgische en Bijbelse Latijnse teksten.
Een tweede noodzakelijke formaliteit die protestanten met klem afwijzen is de hulp van gewijde personen bij onder meer het biechten (voor katholieken een noodzakelijke formaliteit). Dat achten zij niet nodig omdat zij vinden dat de mens zelf in rechtsreeks contact met God staat, ongeacht zijn zonden. Dat betekent dat de mens in zichzelf Gods zaligmakende genade kan bekomen. Zij gaan er immers van uit dat een zondaar rechtsreeks in contact kan staan met God, zonder hulp van een priester. Maar toch maken protestanten hier foute redeneringen.
Er is wel degelijk nood aan een priester om terug met God in het reine te komen. Door de zonde van de mens is het contact tussen mens en God verstoord. Het is dus ook logisch dat als God en mens in het onreine tegenover mekaar staan en de mens daardoor de verbinding met God uitschakelt (doordat hij zich – al is het maar voor een klein deel- met het kwade heeft verbonden), de mens ook moeilijk zelf terug zich in het reine met God kan plaatsen. Maar protestanten menen dat het contact tussen mens en God verstoord kan worden als de mens zelf daar iets aan kan veranderen. Er zijn voor hen dus geen voorwaarden gekoppeld om zich rechtsreeks tot God te wenden. God spreekt tot de mens en de mens is volgens hen in staat, ongeacht zijn status, om zich succesvol tot God te wenden. Een tussenkomst van een priester is volgens hen daarom ook niet noodzakelijk en zelfs zinloos.
Maar zo werkt het niet want de mens kan God niet ontmoeten als hij met Hem niet in het reine staat. In hun relatie tegenover God kunnen we dit als een zeer hoogmoedige houding beschouwen. Een bekering is bijvoorbeeld erg zwaar is en vereist een exodus (een uittocht van het oude leven naar het nieuwe). Men moet eerst in het reine met God kunnen staan om zich rechtreeks tot Hem te kunnen wenden. Nochtans is de realiteit anders: de mens in relatie tot God is als een verbinding te beschouwen: één kleine storing (lees: de minste verbinding met het kwade, die overigens volgens Sint Padre Pio enkel toegang vindt in de vrije wil van de mens) en ze is verbroken. De schuld ligt hier echter uitsluitend bij de zondige mens (als zender). Hoe kan een door de zonde schuldige mens zich dan nog tot God wenden? Hiervoor heeft men toch nood aan een tussenpersoon, iemand die het kwade van zich afwendt en het werk van Christus verderzet? Het werk dat trouwens tot doel had de mens terug bij God te brengen. Dan kan men toch niet verwachten dat, zoals de protestanten beweren, God genade kan schenken aan iemand die niet waardig is dat Hij tot Hem komt? Als we logisch nadenken komen we tot het besluit dat een zondige mens niet waardig is om zich tot God te wenden en van Hem de genade te bekomen. De zondige mens heeft dus wel degelijk nood aan een priester.
Een derde standpunt van protestanten is dat zij menen dat de Heilige Geest, de Geest van God, naast de materie staat en er zelfs niets mee te maken heeft. Vanuit die optiek handelden ook de Beeldenstormers, die de kathedralen als geldverspilling beschouwden. Maar in al hun razernij dachten zij niet na over de glorie die hier aan God bewezen werd. God veruiterlijkt zich namelijk middels zijn Heilige Geest via de materie.. Klinkt misschien ingewikkeld, maar een voorbeeld kan verduidelijken. En dan verwijs ik naar wat wij herdenken op Pinksteren: namelijk de Heilige Geest die tot de ondergedoken apostelen komt, in hen een vuur doet branden en hen alle talen van de wereld doet spreken. Via de mond van de apostelen handelde Zijn Geest en dus was de materie van de mens (namelijk diens lippen, tanden, tong en stembanden) nodig om Gods Woord eer te bewijzen en te verspreiden. De Heilige Geest heeft dus een middel nodig om zich tot uiting te brengen, en dat waren in dit geval de apostelen.Zo ook zijn beelden en kathedralen nodig om Gods glorie en oneindigheid uit te beelden. Maar die glorie betekent dat zelfs de meest machtige kathedralen, de meest goddelijke muziek op de aarde maar een schimp is van wat die glorie Gods werkelijk is. Wie God dus voor God wil zjin en naar Zijn Wil wil handelen, moet noodzakelijkerwijs ook gebruik maken van de natuurlijke grond- en bouwstoffen die God ons gegeven heeft. Want als de materie niets ter zake doet, dan zou ook de hele Schepping overbodig zijn.
Protestanten beweren ten slotte dat geen katholieke Kerk nodig is om Christus te volgen. Met het bovenstaande indachtig maken protestanten bovendien de fout te stellen dat Christenen geen nood hebben aan een Kerkelijk gezag (want volgens hen hebben individuele gelovigen, op predikanten na, geen nood aan gewijde personen, laat staan aan een instelling die hen gaat zeggen wat ze moeten geloven). Zij beschouwen de Kerk en Christus als twee van mekaar loshangende zaken. Vandaar dat zij ook geen waarde hechten aan de autoriteit van de katholieke Kerk. Toch kan een ware christen zich niet afkeren van de Kerk indien hij een goed christen wil blijven die loyaal is ten aanzien van zijn Schepper. Johannes Paulus I vat dit bovenstaande in heel mooie bewoordingen samen:
- Jezus en de Christenen
- Jezus en de Kerk,
dat is éen en het zelfde, die zijn onlosmakelijk verbonden, niet van elkaar te scheiden. Lees het maar bij de heilige Paulus na! Die gebruikt zelfs de uitdrukking: ‘het lichaam van Christus dat de Kerk is.’
Christus en de Kerk zijn één. Christus is het Hoofd. Wij, de Kerk, zijn Zijn ledematen. Het is dan ook nauwelijks mogelijk het geloof te hebben en te zeggen: ‘Ik geloof in Jezus. Jezus neem ik wel aan, maar de Kerk niet.’ “[5]
Misschien zegt U nu dat dit allemaal goed en wel is uitgelegd, maar dat de Kerk in het verleden zich niet bepaald van haar meest fraaie kant heeft getoond. Dit was dan ook een populaire veronderstelling binnen protestantse middens en lag in de 16de eeuw ook aan de basis van haar succes. En inderdaad, het pausdom heeft zo zijn zwakkere periodes gekend in de vroege Middeleeuwen (te denken bv. aan de tiende-elfde eeuw), dat kan men wellicht niet ontkennen. Maar het zou verkeerd zijn te denken dat het protestantisme dit argument in alle eerlijkheid zou gebruikt hebben in de strijd tegen de Kerk. Meer zelfs, het protestantisme speelde in op het gevoel van naïeve goedgelovige en angstige mensen (angstig voor de tirannie van Calvijn weliswaar).[6] Maar Paus Johannes Paulus I gaat verder:
” ‘Maar’, zult u vragen, ‘als nu eens zou blijken dat er in de Kerk ook slechten zijn?’ En toch … wij zien in haar toch een moeder? Welnu, wanneer moeder ziek is, en wanneer zij slecht begint te lopen, dan houd ik toch zeker juist méér van haar? Hetzelfde geldt nu ook van de Kerk. Ook wanneer er in haar fouten en gebreken zijn – en die zijn er – dan nóg mag onze liefde voor de Kerk nooit minder worden!”
Wie de Kerk oprecht liefheeft zal haar in slechte tijden niet afvallig zijn. En laat dat nu net de grootste fout van de protestanten zijn! We kunnen bovendien deze lijn zelfs doortrekken en stellen dat de van de Kerk afgescheurde traditionalisten, zoals de facto de priesterbroederschap Pius X (hoewel de excommunicatie nu wel opgeheven is door de Paus) of de sedisvacantisten (traditionalisten die van mening zijn dat elke paus na Vaticanum II ongeldig zetelt op de Stoel van Petrus.
Op historisch vlak lag het protestantisme enerzijds aan de basis van modernistische filosofieën zoals aanvankelijk het rationalisme, en later het realisme en existentialisme en anderzijds aan de wieg van de georganiseerde en gemanifesteerde vrijmetselarij. Ook lag een belangrijke en grote stroming ervan (namelijk het calvinisme) volgens socioloog Max Weber aan de basis voor nieuwe moderne economische theorieën zoals het economisch liberalisme, vertegenwoordigd in de neo-klassieke school. Predestinatie leidde immers tot de latere opvatting dat men moest werken en presteren om zeker te zijn van het verworven postje in de hemel. Men nam trouwens als protestanten aan dat God gekend kon worden door op een wetenschappelijke manier naar hem op zoek te gaan. De manier waarop maakt niet uit. Deze idee wordt ook de basisgedachte van de reguliere vrijmetselarij en diende tijdens de ‘verlichting’ tevens als grondslag voor modernistische filosofieën.
Dat alles kwam voor continentaal Europa tijdens de 17de en vooral in de 18de eeuw politiek tot uiting in de periode van het verlichtingsfundamentalisme en vooral dan in revoltes tegen het oude systeem. Een eerste omwenteling was de Glorious Revolution, waardoor ook de idee van het parlementarisme (als politiek stelsel waarin al deze ideeën ten uitvoer konden worden gebracht) voet aan de grond kreeg. Merk trouwens op dat Willem III, stadhouder van de calvinistisch geïnspireerde en afgescheurde noordelijke Nederlanden, dat toen al een vrijhaven was voor hervormers zoals ‘liberale’ joden en Hugenoten, de uiteindelijke verdrijver was van de katholieke Engelse vorst (nadat hij al in eigen land serieuze tegenstand kreeg van de anglicaanse antikatholieke Whigs) en zo zelf heeft bijgedragen tot die Glorious Revolution. Het anticipeerde in ieder geval op wat komen ging op het Europese continent, en dan verwijs ik natuurlijk naar de Verlichting en het daaruit voortvloeiende ‘verlichte’ absolutisme en de Franse Revolutie.
We mogen het protestantisme dus gerust beschouwen als de onbedoelde basis voor de rebellie tegen God. Want van hieruit ontstond een gelegitimeerde twijfel aan het goddelijke, ook al is dit historisch niet altijd even correct (denk maar aan de calvinistische tirannie in Genève die geen afwijkende ideeën dan de calvinistische verdroeg). Van hieruit ontstond de twijfel aan het gezag, de twijfel aan de dogma’s en werd de basis gelegd voor het menselijke denken op religieus vlak. Uiteraard waren de gevolgen groot: de mens bouwde zijn eigen filosofie, ging twijfelen aan God om hem vervolgens te ontkennen of als een immanente energie te beschouwen. Het is trouwens niet voor niets dat Joseph-Marie De Maistre in die optiek concludeerde dat de verlichting en de uitwassen daarvan noodzakelijk voorafgegaan moest worden van de reformatie. Vandaag bepleiten de modernisten namelijk een gelijkstelling van God met elke andere godsdienst of levensbeschouwing. Vandaag is God dan ook volledig geïntegreerd in dit democratisch kader: als men alle mensen als gelijk beschouwt, dan is God ook gelijk aan de andere goden. Hierover verder meer in het onderdeel over relativisme.
Verlichting
Zoals gezegd vloeide uit het protestantisme de verlichting voort. De verlichting was namelijk een revolte in denken en de Franse Revolutie bracht, al dan niet op die manier gewild, een revolterende orde en een revolterend denken aan de macht. Dat revolteren werd dankzij het protestantisme mogelijk gemaakt, omdat haar soms succesvol optreden als voorbeeld werd beschouwd. De ideeën zelf steunden op het rationalisme. Het stelde, en dit in navolging van het humanisme, de mens als rationeel wezen voor dat zelf in staat was rationale denksystemen uit te dokteren.
Maar de vraag is of de mens daartoe wel in staat is. Is de mens niet veeleer, zoals De Maistre terecht stelt, de speelbal van omstandigheden, die bovendien door God gewild zijn? Heeft de mens als rationeel wezen bijvoorbeeld elke situatie in handen en kan de mens zelf de hindernissen van zijn doelmatig handelen inschatten? Kan de mens met andere woorden aan de hand van voorzienbare hindernissen zijn niet-doelmatig handelen en eveneens zijn niet-bereiken van het doel verklaren? Natuurlijk niet. De omstandigheden beslissen er namelijk altijd anders over. Niemand kan op een rationele manier een gebeurtenis voorspellen. Dit komt omdat wij als mensen te zwak zijn om de omstandigheden, die het gevolg zijn van de realiteit, van de universele orde, meester te zijn. Integendeel, wij zijn onderworpen aan die universele orde. Die universele orde bestaat namelijk dankzij God en alleen God heeft controle over die universele orde en kan Zijn plan ten uitvoer brengen omdat hij juist controle heeft over alle dingen.
De verlichting, hoe mooi haar idealen ook mogen lijken, vertrekt vanuit hoogmoed: ze schat de mens hoger in dan de machten die hoger zijn dan hem. En zoals altijd is het God die hoogmoed straft. Laat het in dit geval de Franse Revolutie zijn, een gebeurtenis waar de mens uiteindelijk ook niets over te zeggen had[7].
De dwaling van het (neo-)heidendom
Omdat we vandaag een opstoot beleven van een heidense spirituele beleving die eigenlijk niet te verklaren valt zonder eerst het protestantisme en modernisme onder de loep genomen te hebben, behandel ik het dan ook uitdrukkelijk na het deel over het dissidente christendom. In het heidendom moet er vandaag m.i. onderscheid gemaakt worden tussen drie soorten: de neo-heidenen, de traditionele heidenen en de mengvorm daarvan hetwelk in de 20ste eeuw zich onder de vorm van nationaal-socialisme heeft gemanifesteerd. De minst relevante op godsdienstig vlak is het traditionele heidendom, die ook op een zo bondig mogelijke manier zal besproken worden, zonder diepgaande theologische kritieken/opmerkingen.
Maar laat ik beginnen met het neo-heidendom, dit om de chronologische structuur van dit hele artikel overzichtelijk te houden.
Neo-heidenen
Het neo-heidendom is geen eenvoudige maar wel een maatschappelijk en godsdienstig zeer belangrijke kwestie. Dit stuk in het artikel bouwt dan ook voort op de opvattingen die hierboven al werden gesteld over het dissidente christendom.
Het neo-heidendom gaat uit van een vrij beleefd denken dat al snel ontaardt in de typische fantasiebeelden van de mens. Dit mag opgevat worden als een hedendaagse vorm van spiritualiteit die voortvloeit uit modernistische ideeën die zelf hun oorsprong vinden in het protestantisme. maar die door haar volgelingen veel serieuzer wordt genomen. Hier vertrekt men immers vanuit een godsbeeld dat echter helemaal niet te verenigen valt met eeuwenlange gangbare opvattingen in Europa. Aangezien dit godsbeeld veel meer met spiritualiteit heeft te maken en hierdoor dus minder met het hierboven besproken heidendom kunnen we ook stellen dat neo-heidendom vandaag mag beschouwd worden als een verzamelnaam voor een amalgaam van verschillende occulte (en vooral immanente) overtuigingen. Meestal ontstaan zij in de vrij beleefde fantasie van de mens zelf, die zonder God zelf op zoek gaat naar het bovennatuurlijke. Het gevolg is waanbeelden over marsmannetjes, geesten, elfjes, kabouters, …
De grondgedachte van het neo-heidendom vloeit voort uit het modernisme: namelijk de modernistische opvatting dat religie een private aangelegenheid is en bijgevolg dus geïndividualiseerd raakt. Het is filosofisch bekeken een veruiterlijking van de vrijzinnige gedachte, of – beter gezegd- van het Verlichtingsdenken. Voorbeelden zijn het animisme, de New Age-beweging, het spiritualisme, enz… Zoals U merkt gaat het hier vooral om vormen van immanente (persoonlijke) overtuigingen, gekaderd binnen een grotere spirituele beweging. Dit staat natuurlijk in schril contrast met een georganiseerde en geopenbaarde religie zoals het katholicisme. Op dat vlak zouden we zelfs kunnen aanvoelen dat het protestantisme – hoewel ze uitgaat van een goddelijke openbaring- nauw verwant lijkt te zijn met deze vorm van spiritualiteit. We kunnen immers een Christus- en een anti-klerikaal element toevoegen aan deze esoterische opvattingen en we hebben opnieuw een vorm van dissident christendom. Zo moeten we ook de vrijmetselarij beschouwen (zie infra). Sint Pius X brengt hierover duidelijkheid in zijn encycliek Pascendi Dominici Gregis waarin hij stelt dat “bij de modernist als gelovige de overtuiging aanwezig is dat de realiteit van het goddelijke op zich bestaat en niet heel en al afhangt van de gelovige. Als men vraagt waarop de zekerheid van de gelovige uiteindelijk steunt, krijgt men ten antwoord: In de privé-ervaring van ieder mens afzonderlijk. Met dit antwoord wijken zij wel af van de opvatting der rationalisten, maar komen overeen met de zienswijzen van protestanten…”[8]. Niet door zelf actief op zoek te gaan naar God en met Hem in het reine te staan, zullen wij Gods toenadering tot de mens ontdekken (zoals de katholieke leer het stelt), maar juist door het niet-handelen of door occulte praktijken zal men het goddelijke ontdekken aangezien dat overal in de realiteit aanwezig is. Om het goddelijke te ontdekken zou men volgens de modernisten zich niet moeten bekeren om in het reine met God te komen en Hem alzo te ontmoeten (zoals in het katholicisme), maar juist aan praktijken moeten doen om het goddelijke, dat in de realiteit overal aanwezig is, waar te nemen.
Zoals aangehaald is het neo-heidendom meestal immanent van aard en dus niet te verenigen met de transcendente leer van de Katholieke Kerk. Dat bewijst de visie op religie en spiritualiteit door een hedendaagse impuls te geven aan voorbijgestreefde pantheïstische opvattingen (zoals de vergoddelijking van natuurlijke elementen dat zich vertaalt in het aanbidden van ‘heilige’ bomen die een energie zouden uitstralen).
Dit alles indachtig, en vooral dan de geciteerde wijze woorden van St. Pius X, doet besluiten dat het neo-heidendom gerust mag opgevat worden als een vorm van moderne spiritualiteit. Het is geen godsdienst, noch een geloof aangezien het pantheïstisch en immanent van aard is, geen godheid alsdusdanig erkent, enkel uitgaat van de spirituele ervaring en elk geloofsdogma verwerpt. Het is dus niet meer dan de veruiterlijking van een geïndividualiseerd privaat geloof. Met andere woorden, het neo-heidendom is een moderne spiritualiteit die verschilt van individu tot individu. En laat dat nu net de gevolgen zijn van modernistische leerstellingen als het relativisme.
Traditionele heidenen
Het echte traditionele heidendom vandaag is verwaarloosbaar klein. Toch zijn er een aantal in nationalistische kringen en is het schijnbaar aannemelijk dat hun ideeën te aanvaarden zijn als gevolg van een consequent doorgetrokken volksnationalisme. Toch zijn er tal van redenen om het heidendom te verwerpen als enige legitieme en spirituele basis voor het nationalisme.
Vooreerst heeft dergelijk heidendom meer met traditie te maken dan met echte zingeving. Het is vandaag dan ook enerzijds een ‘nostalgische’ folklore’ en anderzijds een culturele uitlaatklep voor esoterische – zeg maar ketterse- stromingen uit het neo-heidendom (zie infra). Een goed voorbeeld is de vergrote interesse van nationalisten ten noorden van de Alpen in de Germaanse mythologie en symboliek. Uiteraard heeft dit niet veel meer met een echte heidense overtuiging maar des te meer met traditioneel folklorisme te maken. Van een oprechte zingeving aan het nationalisme kan dus nauwelijks sprake zijn. Ten tweede leidt het heidendom onvermijdelijk tot een triballistisch en bekrompen hypernationalisme dat Europa in tijden van crisis nodeloos verdeelt.
Tot slot is er nog het voornaamste argument dat de autoriteit van een heidens nationalisme volledig onderuithaalt. De geschiedenis heeft namelijk aangetoond dat de Germaanse koningen vooral na de doop van de Frankische koning der koningen Clovis en na het ijverige werk van christelijke missionarissen zoals Sint Bonifatius wat de Nederlanden betreft, vrijwillig het op Nicea gebaseerde christendom hebben aangenomen. Doordat het gezag binnen een vroegere Germaanse volksgemeenschap gebaseerd was op het Führerprinzip namen de onderdanen zonder al te veel morren (relatief gezien natuurlijk, want een aantal heidense elementen en symbolen bleven nog overeind) het nieuwe geloof aan. Bovendien was de Kerk na de val van het Romeinse Rijk de enige gevestigde intellectuele macht die politieke orde kon scheppen in het door triballistische oorlogen geteisterde West-Europa. We kunnen dus voorzichtig besluiten dat als we het argument van nationalistische heidenen als ware dat het volksnationalisme heidens zou zijn, consequent doortrekken, de heidenen zich dan toch bedenken dat juist op basis van de volkssoevereiniteit de Germanen voor het christendom hebben gekozen.[9] Dit zou dus onvermijdelijk tot de conclusie kunnen leiden dat het heidendom op basis van het volksnationalisme onmogelijk kan verdedigd worden en zelfs volksvreemd is.
Maar misschien gaat deze conclusie niet op. We moeten namelijk de nuance aanhalen dat de bekering van de Franken en later ook de andere volkeren, zoals de Scandinaviërs, geleidelijk aan gebeurde zonder dat bepaalde heidense gebruiken van vandaag op morgen werden verworpen. Meer zelfs, enkele heidense gebruiken bleven verder bestaan tot vandaag. Zo zou men verkeerdelijk kunnen stellen dat Kerstmis een heidense oorsprong heeft, die zowel Germaans als Romeins van oorsprong is. Maar dat zowel de Romeinen (de Mithras-verering) als de Germanen rond dezelfde periode een feest vierden met dan nog dezelfde betekenis (namelijk de zonnewending en de komst van het licht) toont toch wel aan dat heidenen in Europa quasi dezelfde overtuiging deelden: zij zijn in blijde verwachting van betere tijden, van een gids die hen door de barre omstandigheden moet leiden. We moeten beseffen dat in de vroeg-Middeleeuwse periode en zelfs daarvoor de heidenen reeds hun mythologische mystiek verlaten hebben en reeds klaar waren om een monotheïstische revolutie te doormaken, zoals ook het volk van Israël heeft gedaan. Dat zij echter nog enkele rituelen toepasten doet niets af aan het feit dat zij de mythe in hun immanente godsbeleving hadden ontdekt. In dit opzicht kunnen we deze heidense gebruiken beschouwen als de verwachting van de komst van een voor hen nog onbekende Messias die hen, door middel van Zijn apostelen (wat de Grieken en Romeinen betreft) en heiligen (zoals Sint Bonifatius licht bracht voor de heidense Nederlanden en West-Duitsland), licht zou brengen in duistere tijden. Zo moeten wij ook Kerstmis beschouwen als een christelijk feest dat niet uitsluitend heidens is. De bekeerde heidenen mogen dan wel dit ritueel behouden hebben, het heeft echter voor hen sinds hun bekering – en zelfs daarvoor- de betekenis van de reeële ontdekking Christus op wie zij sinds de breuk met hun oude religie gewacht hebben. Kerstmis betekent dan ook het licht waar wij allen op hebben gewacht en dat ons uit de duisternis van de oude mythes heeft gered.
Toch mogen we niet valselijk besluiten dat de heidense tradities (en ik verwijs nog altijd naar Kerstmis) maar bijzaak zijn, en na verloop van tijd transformeren naar christelijke tradities doordat de wijzigende omstandigheden de betekenis van de traditie zouden veranderen. We mogen namelijk niet besluiten dat cultuur niet verbonden is aan geloof en relatief is (dit wil zeggen: onderhevig aan verandering). Als bepaalde heidense tradities in stand zijn gehouden na de bekering van de heidenen tot het christendom, dan is dit omdat God het zo gewild heeft en net omdat Hij dit wil is die heidense traditie al van in het begin dat ze ontstaan is ging voleinden in een christelijke traditie. Uiteraard bedoel ik hiermee niet de predestinatie van de traditie. Ik doel hier in eerste instantie op de Goddelijke Voorzienigheid die het zo tot stand heeft gebracht omdat God het zo wil. God bepaalt echter niet dat het zo zou gebeuren. Hij wist dat het zo ging gebeuren en dat bepaalde heidense tradities hiertoe zouden dienen. Het is namelijk niet God die de traditie heeft ingevoerd, maar de heidense mens. Doch, de Voorzienigheid, die handelt uit Gods creatieve liefde voor de mens, heeft ervoor gezorgd dat ze in stand zou gehouden worden omdat ze zou bijdragen tot de voorbereiding op een vlotte bekering van de heidenen, niet alleen in de Middeleeuwen maar overal op de tijdslijn. De heidense traditie van Kerstmis, de verwachting van het licht, betekende dan ook het symbool van een exodus: het was de voorbereiding op de uittocht van de mythische religie naar de bevrijding ervan.
Maar toch kan het traditionele heidendom vandaag geen volledige toepassing meer vinden: het is achterhaald en een aantal van haar tradities die tot op de dag van vandaag zijn doorgetrokken genieten enkel bestaansrecht omdat ze nuttig geweest zijn voor de (her-)kerstening van Europa en omdat het door God ook zo gewild is.
Nationaal-socialisme
Het kan natuurlijk wel voorkomen dat traditioneel en neo-heidendom met mekaar vermengd worden, maar het zou mij sterk lijken mochten er vandaag daadwerkelijk groepen actief zijn die geesten uit het Walhalla pogen op te roepen. Maar toch is het ook relevant om hier ook even bij stil te staan. Want er is m.i. in de 20ste eeuw inderdaad een duidelijk voorbeeld van deze mengvorm. Een voorbeeld dat allen zal fascineren is het nationaal-socialistische Duitsland van Führer Adolf Hilter.
De visie van de nationaal-socialisten op spiritualiteit en volk is zoals gezegd erg fascinerend. Hun geloof in het ideale mensengeslacht, namelijk het Arische ras, had naast haar (pseudo-)wetenschappelijke theorieën ook iets mystieks. Dat moest ook. Men wilde het Arische ras namelijk boven alle andere rassen verheffen zodat het ook het unieke werd. Dit was zodanig mystiek dat het proporties aannam die veel raakvlakken vertonen met occulte neo-heidense en vooral antikatholieke spiritualiteit. Laat het trouwens geen toeval zijn dat veel Rijksministers van Hitlers regering zich met occulte praktijken bezighielden (Heinrich Himmler, Alfred Rosenberg, Adolf Hitler zelf, …). Maar omdat Duitsland in de jaren ’30 nog een overwegend christelijk land was met een protestantse meerderheid moest men dit ideaalbeeld combineren met het geloof van het volk. Dat was ook niet moeilijk aangezien het protestantisme veel makkelijker in het nationaal socialistisch-regime te integreren was dan het katholiek geloof dat de Pauselijke autoriteit hoger acht dan die van de staat. Dat verklaart meteen ook de antikatholieke houding van veel nationaal-socialisten. Het protestantisme kon daarentegen makkelijk tot nationale kerk verheven worden en dus onder controle staan van het Reich. En op die manier kon het regime ook de occulte theorieën integreren in de geloofsovertuiging van het protestantse volk: Christus moest bijgevolg Arisch worden.
Daarnaast greep men in het ‘Arische’ christendom (niet te verwarren met het arianisme, een christelijke sekte uit de 4de-5de eeuw na Christus) ook terug naar paganistische tradities, zodat het gelegitimeerde protestantse christendom in het Duitsland van de jaren ’30 eigenlijk veel overeenkomsten vertoonde met de door de Kerk verworpen gnostiek uit de tweede en derde eeuw na Christus. Het was via de Völksche Bewegung een teruggrijpen naar de oude heidense gebruiken, eventueel gepaard met het occultisme van de toonaangevende figuren.
Maar op die manier is iets opmerkelijks gebeurd: enerzijds is er de these binnen het nationaal-socialisme van een extreem doorleefd volks heidendom (het occulte volksgeloof), anderzijds is er de anti-these van een gnostisch christendom (de gechristianiseerde occulte kennis) dat via het protestantisme makkelijk zich makkelijk in de Duitse maatschappij kon manifesteren. Een logische gevolgtrekking maakt dan dat dit tot de synthese van het spirituele nationaal-socialisme moet leiden.
Uiteraard is dit enkel maar theorie. Maar om toch te staven dat dit niet zomaar uit de lucht gegrepen is zou ik willen wijzen op de staatsopvattingen van het nationaal-socialisme. De basis van het heidendom is, zoals aangetoond, de immanentie. Die immanentie staat haaks op de transcendentie, de erkenning van God die boven ons staat en boven de natuur en het wereldse staat. Die immanentie betekent dus dat de staat boven de mens uitstijgt. Afgaande op wat bv. de idee van het pantheïsme stelt, zou dit doorgetrokken naar de synthese van het spirituele nationaal-socialisme betekenen dat de staat (in plaats van God) in alles aanwezig moet zijn. Dit leidt onvermijdelijk tot de conclusie dat dergelijke zingeving moet leiden tot een totalitaire staat.
In tegenstelling tot die totalitaire staat is de door God geleide staat waar alles ten dienste van God en dus ook van ons welzijn staat, een staat waar ware vrijheid is. Het is namelijk vrijheid die ontstaat doordat het volk bevrijd wordt van zonde en zo een heilige mystieke status bereikt. Hierdoor wil het volk alleen maar God dienen en gebruikt het ook haar vrijheid om dat ideaal te kunnen vervolmaken. Uit liefde tot God en zijn Heilige Kerk doen zij dit. God heeft namelijk uit liefde voor ons het beste met ons voor zolang we toestaan ons door Hem te laten leiden. De staat moet dus op een transcendente manier ten dienste staan van God, en dat kan – vanuit christelijk oogpunt- door op een solidaire manier onze naaste (na God) oprecht lief te hebben. Dat houdt echter ook belangrijke consequenties in voor het volk, consequenties die voortvloeien uit de vrome toewijding van het volk. Die worden echter verder besproken.
Uiteindelijk resultaat: het relativisme
Waar we in de 16de eeuw de opkomst van het protestantisme hadden, kregen we later de daaropvolgende ‘verlichting’ en het verzet tegen de bestaande orde die we vandaag als reactionair zouden beschouwen. De Verlichting en het rationalisme mogen we eigenlijk beschouwen als de geboorte van het filosofische modernisme. Uit dat modernisme ontstonden tal van filosofieën die haaks stonden op de godsdienst en uitdrukkelijk stoelden op de ontkenning van God. Voorbeelden zijn onder meer het naturalisme, het realisme, het existentialisme. Uitgangspunt is volgens Sint Pius X de ontkenning en de uitschakeling van God door enkel de zogenaamde waarneembare wereld als maatstaf te nemen. Maar de religieuze basis is volgens hem niet atheïstisch, doch agnostisch! Want men gaat ervan uit dat men God niet kent en niet waarneemt (maar is het verbazingwekkend dat een niet-bekeerde zondaar God niet kent?) omdat men enkel de wetenschappelijke principes vaststelt. Men stelt zich echter niet de vraag waar die principes vandaan komen en men schrijft het zelfs toe aan de menselijke natuur. Die menselijke natuur staat voor hen centraal en is door middel van zijn zintuigen de enige bron van alle waarneembare dingen. Buiten de mens bestaat dus niets. Enkel het waarneembare, en van daaruit komt dus voor de rationalist de waarheid.
“Dit is wel voldoende om duidelijk aan te tonen hoe langs velerlei wegen de leer der modernisten naar het pantheïsme afbuigt, en zo leidt naar vernietiging van elke godsdienst. De eerste stap op deze weg deed de dwaling der protestanten; de dwaling der modernisten volgt; daarna komt het pantheïsme.” (St. Pius X, Pascendi dominici gregis)
Sint Pius X heeft hier overschot van gelijk! Want inderdaad: het modernisme, zal vanuit haar agnostische opvatting niet alleen afbuigen naar de filosofische opvatting van het atheïstische rationalisme, doch ook een pantheïsme. En zoals we weten is hèt pantheïsme een spirituele beleving die geleid heeft tot het neo-heidendom dat een bloei kende 20ste en vooral 21ste eeuw. Maar dat neo-heidendom is niet het uiteindelijke resulaat van de modernisten geworden. Dat is het relativisme.
Laten we dus stellen dat het relativisme de uiterste finale uitwas is van het modernisme. De modernist, in de hoedanigheid van theologisch relativist, is dus eigenlijk de synthese van het rationalisme als thesis en het pantheïsme als antithesis. Daar waar een soort van pantheïsme een reactie was op het zuivere atheïsme van de rationalisten, behoort het toch tot dezelfde familie van het modernisme want het modernisme vertrekt, zoals St. Pius X zegt, van het agnosticisme. Maar aangezien de modernist uiteindelijk resulteert in een pantheïsme dat leidt tot een neo-heidendom, blijft het niet bij die synthese alleen. De synthese wordt namelijk de these, en die these vindt dan haar antithese in elke filosofische levensbeschouwing en in elke godsdienst. Van daaruit komt dan de uiteindelijke synthese die het relativisme is. Tijdens dat proces wordt een godsdienst zoals het christendom echter beroofd van de absolute door God geopenbaarde Waarheid. Want de synthese is namelijk dat zowel de these als de antithese gerelativeerd worden, wat dus ook met het christendom gebeurt.
Synthese
Hiermee heb ik elke noemenswaardige tegenstanders besproken. Samenvattend wil ik dit in een schema verduidelijken:
PROTESTANTISME: revolte tegen de traditionele orde, gebaseerd op de legitimiteit van God
MODERNISME
These: Rationalisme (Verlichting) Antithese: een modern pantheïsme
Synthese: neo-heidendom (ontstaan in de 19de eeuw, bloei vanaf de 20ste eeuw tot nu; pluralisme)
These: Neo-heidendom (pluralisme) Antithese: relativisme (waarheid = een verzameling van stukjes godsdienst)
Finale synthese: relativistisch modernisme
De agnostische ingesteldheid van het modernisme leidt enerzijds tot rationalisme. Maar in dat modernistisch denksysteem heeft het rationalisme ook haar tegenhanger en dat is anderzijds een modern pantheïsme dat het agnosticisme als een aanzet beschouwt om zelf op zoek te gaan naar het spirituele. Aangezien het goddelijke niet transcendent is kunnen de moderne pantheïsten hem niet kennen door openbaring en menen het spirituele te vinden in de realiteit. Hierboven heb ik ook uitgelegd hoe het pantheïsme verwant is met het neo-heidendom. Dat neo-heidendom is de synthese van dat moderne pantheïsme en het rationalisme: namelijk het spirituele vinden in de realiteit en dat pogen rationeel te verklaren. Die synthese verwordt terug een these en vindt haar antithese in het relativisme, dat vertrekt vanuit de overtuiging dat alles relatief en grijs is. Geen waarheid bestaat. Dit leidt tot de finale synthese van het relativistisch modernisme, of beter gezegd, de relativistische theologie waar Paus Benedictus XVI het over heeft. God bestaat niet want er bestaat geen waarheid in de ogen van relativisten. In theologisch opzicht betekent dit dat elke godsdienst ‘iets’ goed heeft. Dat goede wordt in haar context uitvergroot en in een collage geplakt met de andere stukjes godsdienst geplakt om zo door dat knip- en plak-werk verabsoluteerd te worden tot één grote wereldreligie.
Ultra-montaan antwoord
Met de synthese indachtig kunnen we naar een alternatief antwoord zoeken. Geen protestantisme, geen vrijmetselarij, geen heidendom (tenzij dan enkele tradities die hun nut bewezen hebben voor de voornamelijk Germaanse Europeanen), geen relativisme, geen andere modernistische varianten dus. Het Imperium Europa zal een Europa Christianorum zijn. Want het katholicisme is het antwoord voor een heropstanding van het Rijk.
Als we echter een legitimatie willen hebben voor een Rooms-katholiek Europa waarbij leiders onder curatele van de Paus worden geplaatst dan komen we schijnbaar in botsing met de soevereiniteit van volkeren en naties. We zouden het namelijk als een al te grote bemoeienis van Rome beschouwen. Dat hoeft echter niet altijd zo te zijn.
Om hierover duidelijkheid te scheppen zal ik Paus Gelasius aan het woord laten, die in zijn brief aan keizer Anastasius de welbekende ‘tweezwaardenleer’ uiteenzette. Deze tweezwaardenleer zou later de basis vormen voor veel katholieke monarchen in hun relatie met Rome. Ook vandaag heeft deze leer nog altijd waarde. Enerzijds als antwoord op de seculiere staat Europa die vandaag wordt geconstrueerd, anderzijds als oplossing voor twistzieke filosofen die in hun alternatief denken nauwelijks nog de bomen door het bos kunnen zien. Ook als wij – katholieken- beginnen te spelen met grote woorden heeft de tweezwaardenleer haar waarde allerminst verloren: kunnen we ons namelijk een goed gestructureerd en geconcretiseerd Imperium voorstellen zonder dat we ons op de basis van ons imperiaal idee zouden beroepen? Het is immers uit een deductief denksysteem dat ons ideaal geconcretiseerd wordt, en dus is een fundering, die altijd van God komt en tot uiting komt via de Zijnen, onontbeerlijk.
Die fundering van het katholieke Imperium vindt volgens mij zoals gezegd haar basis in een brief van Paus Gelasius die schrijft: “Wanneer de dienaren van het geloof, de suprematie erkennend die U door de hemel verleend is in zaken die de publieke orde raken, uw wetten gehoorzamen, omdat ze anders het verloop van de wereldse zaken mochten verstoren door irrelevante overwegingen, met welke graagte moet U dan niet gehoorzaamheid betrachten, aan wie het verleden van de heilige mysteriën des geloofs is opgedragen?[11] Paus Gelasius bedoelt hier geen louter naast mekaar bestaan van twee orden die strikt van mekaar gescheiden zijn, maar een hiërarchisch en harmonisch bestaan waarbij de Kerk de macht krijgt om het zielenheil veilig te stellen en dus instaat voor de universele orde (de belangrijkste en hoogste taak) terwijl de keizer, die zijn macht slechts mag uitoefenen op basis van goddelijke legitimatie, slechts moet veiligstellen wat met wereldse/alledaagse zaken te maken heeft. De universele orde, die de Kerk als moeder van het geloof vertegenwoordigt, staat boven de wereldse orde die de keizer met Gods goedkeuring beheerst. Concreet wil dit zeggen dat de wereldse aangelegenheden (zoals economie, pensioenen, ruimtelijke ordening, verkeer, geldzaken (na overleg met de kerkelijke autoriteit inzake haar aangelegenheden), …) toekomen aan de staat terwijl de kerkelijke (die betrekking hebben op de meest essentiële zaken zoals morele waarden, geloofsleer, …) toekomen aan de Kerk.
Het komt er dus op aan te breken met de seculiere principes van vandaag die toch enkel maar leiden tot nihilisme en defaitisme. We moeten er dan ook een zaak van maken te streven naar het erkennen van kerkelijke autoriteit binnen de grenzen van elke katholieke natie in Europa.
Dit alles impliceert echter geen fusie van Europese staten, integendeel. Het is een bond van katholieke naties die hun eigenheid kunnen behouden maar niettemin een kerkelijke autoriteit zullen erkennen. Dit in het belang voor het welzijn van het volk. Vandaag teert het immers weg in de nutteloosheid van haar bestaan omdat de huidige wereldorde haar bovennatuurlijke roeping heeft ontnomen.
Met dit laatste punt wil ik dan ook besluiten door een citaat aan te halen over de visie van Joseph de Maistre, een voor deze tijd onbekend doch belangrijk grondlegger van een katholiek Europa. “Joseph de Maistre was wellicht de eerste theoloog van de politiek in de moderne tijd, en in die functie kan hij een gids zijn in de duisternis van het huidige pluralistische, multiculturele labyrint waarin de meest verantwoordelijken tevergeefs speuren naar normen en waarden zonder dat zij schijnen te beseffen dat die wortelden in het christendom, in het universele dus katholieke christendom dat de belangrijkste pijler is van de westerse beschaving, een beschaving die volgens De Maistre niet moet stuklopen in een uniform Europa, maar openbloeien in een divers Europa waar ieder volk zijn eigen ontwikkeling volgt. Want voor God vertegenwoordigt iedere natie iets unieks, als een letter zonder welke het alfabet niet compleet is.”[12]
Het is de kernachtige formulering van de essentie van het Imperium Christianorum. We streven een nieuw Rijk na, gegrondvest op nieuwe fundamenten die komaf maken met de vormende eurocratische staat die ons in al haar nihilisme en modernistische theorieën tot volledige vervreemding van onze harmonische voeling met de natuurlijke werkelijkheid (en daarmee ook van God) heeft geleid. Hierdoor leven wij in de ultieme wanhoop, omdat wij in al onze miserie God niet meer kunnen kennen. Een omwenteling hebben wij dus nodig om los gerukt te worden uit deze valse realiteit en onze hoop terug te vinden in Jezus Christus. Laat het katholicisme daarom dus een uniek antwoord zijn op die wanhoop die vandaag maar al te vaak genegeerd wordt en waarvoor noch de kennis van de moderniteit, noch gelijk welk ander spiritueel fenomeen een oplossing voor konden bieden. Het is namelijk alleen de onfeilbaarheid van de universele Waarheid die ons kan redden om ons uit het verraderlijke drijfzand te halen.
Christus vincit, regnat et imperat!
[1] Het is belangrijk om de juiste betekenis van ‘profetie’ te kennen omdat deze meestal verkeerdelijk verward wordt met toekomstvoorspelling. Onder profetie wordt verstaan dat de wil van God kenbaar wordt gemaakt via de door Hem uitgekozen personen.
[2] De schepping heeft haar eigen goedheid en volmaaktheid, maar ze is niet geheel voltooid uit de handen van de Schepper gekomen. Ze is geschapen in een staat van op-weg-zijn (‘in statu viae’) naar een nog te verwachten, uiteindelijke voltooiing, waartoe God haar bestemd heeft. Wij noemen de beschikkingen waarmee God zijn schepping naar deze volmaaktheid leidt, goddelijke voorzienigheid. (Uit ‘de KKK’ (Katechismus voor de Katholieke Kerk), 302)
[3] Zoals St. Pius X heeft geschreven volgt het (neo-)heidendom uit het modernisme en het modernisme uit het protestantisme. Het relativisme is vooral vandaag een fenomeen dat door Paus Benedictus XVI wordt omschreven en nog niet aanwezig was in de tijd van Pius X. Toch moet men indachtig blijven dat ook het relativisme uit het modernisme voortvloeit (en dus niet uit het heidendom!) en al bekend was in de 19deeeuwse liberale filosofie. In de encycliek ‘Mirari vos’ van Gregorius XVI wordt namelijk het relativisme reeds veroordeeld wegens haar onverschillig karakter.
[3] Hiervan bestaat trouwens nog onze geloofsbelijdenis, het Credo, in haar originele Latijnse tekst
[4] Het is zo dat de Katharen gezien worden als een voorloper van het calvinisme en dat het calvinisme daar haar oorsprong vindt. Bovendien vinden de Katharen zelf hun oorsprong in het manicheïsme, een sektarische en zelfs gnostische (d.i. uitsluitend naar kennis strevende) vorm van christendom die ervan uitgaat dat de zondige mens de onschuldige speelbal is van ‘goed’ en ‘kwaad’ die aan mekaar gelijk zijn. Al van in de eerste eeuwen na Christus werd deze stroming door onder meer St. Augustinus fel bestreden.
[5] Paus Johannes Paulus I, Catecheses van de Paus tijdens de wekelijkse Algemene Audienties, Rome, 13 september 1978
[6] Een voorbeeld is Galileo Galilei die in zijn tijd bekend stond als een antiklerikaal. De Kerk wilde zijn ideeën over het heliocentrisme serieus nemen maar door zijn arrogante houding bereikte hij het tegenovergestelde: hij beschimpte de Paus, lachte zijn tegenstanders uit in de schrijfruimte van officiële geschriften die hem nota bene door het Vaticaan werden aangeboden en was over het algemeen een niet te genieten mens. Het is dus zeker niet zo dat de Kerk zijn ideeën radicaal verwierp, integendeel.
[7] Ter verduidelijking van deze stelling verwijs ik naar De Maistres’ werk “Considérations sur la France”.
[8] De Britse historicus Lesley Abrams schrijft hierover dat “Veel heidenen zich vreedzaam bekeerden tot het christendom, maar soms werd bekering afgedwongen bij decreet van de koning, al dan niet met geweld”. (L. ABRAMS, ‘Christendom en heidendom’ in J. HILL, De geschiedenis van het christendom, p. 172)
[9] Voor de volledige encycliek, zie http://www.stpiusx.nl/index.php?page=366&news=1030 . Sint Pius X schreef deze encycliek in het begin van de 20ste eeuw toen de opkomst van dit neo-heidendom nog niet echt was doorgebroken. Toch mag ‘modernist’ gerust gelijkgesteld worden met de neo-heiden omdat het modernisme nu eenmaal de basis is voor eigenzinnige spirituele stromingen.
[10] Vertaling door Wallinga, T. (2008). Geschiedenis van het privaatrecht. Antwerpen: Uitgeverij Acco.
[11] R. Lemm, inleiding op het boek De avonden in Sint-Petersburg, gesprekken over hoe de Voorzienigheid de wereld bestuurt, Uitgeverij Klement/Pelckmans, Kampen, 2003
